De rol van de genen

Uit het onderzoek naar ADHD en ADD is inmiddels bekend dat beide stoornissen erfelijk zijn. De kans dat in een gezin een van de ouders of een ander familielid ADHD of ADD heeft, is groot. Je kunt er dus niets aan doen als je ADHD of ADD hebt; de aanleg voor ADHD aandoening is al voor de geboorte ontstaan. Onderzoek bij tweelingen laat zien dat het risico op ADHD voor 65%-90% te maken heeft met je genen1,2. Genen bevatten de informatie voor alle erfelijke eigenschappen. Dit betekent dat ADHD en ook ADD vaak van ouders naar kinderen wordt doorgegeven en dat het in sommige families vaker voorkomt. Men heeft zelfs specifieke genen gevonden waarop de eigenschap ‘ADHD’ zou kunnen liggen. Als je die genen hebt, heb je niet per se ADHD, maar de kans erop is wel groter dan bij mensen die deze genen niet hebben.

Hoe kunnen genen nou leiden tot bepaald gedrag? Ze kunnen bijvoorbeeld invloed hebben op de chemische stoffen die de zenuwcellen in de hersenen aanzetten om contact met elkaar te maken. Dopamine en noradrenaline zijn van zulke stoffen. De meeste medicijnen voor de behandeling van ADHD en ADD stimuleren de functie van dopamine en noradrenaline.

1. Multidisciplinaire richtlijn ADHD, Trimbos instituut, 2005

2. Multidisciplinaire richtlijn ADHD, Patiëntenversie voor ouders, Trimbos instituut, 2007